Neutelings Riedijk Architects

Writings

HET BED VAN RUBENS

Dankwoord ter gelegenheid van de opening van de tentoonstelling van de wedstrijd voor het Museum aan de Stroom
Antwerpen 30 juni 2000
Willem Jan Neutelings

Geachte Schepen, Dames en Heren,

Mijn partner Michiel Riedijk en ik zijn trots en verheugd om hier vanavond voor u te mogen staan. Voor een architect is het een zeldzame en eervolle gebeurtenis om geselecteerd te worden voor een museum. Maar bovendien, in dit geval niet voor het eerste het beste museum. Het Museum aan de Stroom is immers een opgave van uitzonderlijk grote betekenis voor Antwerpen en haar inwoners, een project dat letterlijk en figuurlijk een unieke plaats in de stad zal innemen.

Ik wil dan ook eerst mijn grote dank uitspreken aan de Stad voor het vertrouwen dat zij in ons team stelt om deze opdracht uit te voeren. Daarnaast wil ik de stad ook feliciteren met de uiterst correcte en professionele manier waarop deze wedstrijd georganiseerd werd. En vervolgens wil ik mijn grote dank overbrengen aan het ontwerpteam, aan al onze medewerkers en externe adviseurs, die dit ontwerp dankzij hun visie en grote inzet mogelijk gemaakt hebben.

Onze vreugde vandaag wordt nog extra aangewakkerd, doordat het om een Antwerps museum gaat. De carrière van ons bureau begon immers een tiental jaar geleden in deze stad met een Huis aan de Stroom. In de daaropvolgende jaren hebben we op vele plaatsen in Nederland en Vlaanderen gebouwd, behalve in Antwerpen. Het is dan ook prachtig om nu terug te mogen keren aan die stroom, met dit prestigieus project. In al die jaren heeft ons bureau altijd een voet en een hart in Antwerpen gehad, maar vanaf vandaag zijn we met beide voeten definitief in het hart van de stad geland. Hoewel, op dit moment heb ik nog het meest het gevoel dat ik met mijn hoofd in de wolken zweef, ergens ter hoogte van Sint-Anneke Strand.

Het was vermakelijk om de verwoede pogingen van de lokale pers te lezen, die deze week probeerden om toch nog een échte Antwerpse architect als winnaar te hebben. Het hoogtepunt van deze onderzoeksjournalistiek was de onthulling van mijn inschrijving op de plaatselijke kieslijst, die als een daad van ultieme stadslievendheid werd beschreven. Voor iemand die met geen enkele stad een echte emotionele binding onderhoudt, kwam deze behoefte aan eigenheid in eerste instantie nogal verwonderlijk over. Maar na enige dagen zette dit gegeven mij toch aan het denken. Ik probeerde mij voor de geest te halen, wat mijn oudste herinneringen aan de stad waren, en welke betekenis dit zou kunnen hebben. Na enige tijd kwamen twee intense beelden uit de diepte naar boven: de Gloed van de Ring en het Bed van Rubens.

Het staat me nog helder voor ogen, die zwoele zomernacht ergens in de jaren zestig. Ik ben een jaar of vijf en zit slaapdronken op de achterbank van mijn vaders auto. De achterbank baadt in een gloed van oranje kunstlicht, dat ritmisch over mij heen valt. Door het zijraam zie ik een futuristische landschap van splinternieuwe verkeerslussen, viaducten en afritten in één permanente beweging voorbij zoeven. Het was de opening van de Antwerpse Ring, die, zo meen ik me te herinneren, om middernacht met vuurwerk ingeluid werd. Mijn vader had, zoals vele bewoners van de Antwerpse periferie, vrouw en kinderen ingeladen voor een proefrit op het vers geschilderd asfalt. Het ritje kreeg een magische proportie, het was een lichamelijke ervaring met alle zintuigen, een uitvergrote achtbaan waarbij de Sinksenfoor verbleekte. De ritmische cadans van de oranje gloed van gaslampen maakte het tot één lange hallucinatie. Het landschap van de Ring kondigde een nieuwe toekomst aan, een gouden tijdperk van maanlandingen, televisie-quizen en supersonische vliegtuigen. De Gloed van de Ring stond voor de schoonheid van optimisme, voor daadkracht, vooruitgang en vernieuwing, kortom, voor Antwerpse durf.

Het tweede beeld komt van een ander familie-uitstapje, nog datzelfde jaar. Het is het beeld van een stoffige donkere woning, met lederbehang en zware velours gordijnen, met een keuken vol oude huisraad, met gedekte tafels en een schrijfblad met ganzenveren. Alles lag er alsof de bewoners niet vijf eeuwen, maar slechts vijf minuten geleden vertrokken waren. Het hoogtepunt van de route was de slaapkamer met het verbluffende beeld van een vreemd klein bed met baldakijn en gordijntjes, netjes opgedekt. Het Bed van Rubens. Op die koude winterdag in de jaren zestig was ik er stellig van overtuigd, dat de grote Sinjoor die avond weer thuis zou komen, zijn besneeuwde cape zou afgooien en hier voor mijn ogen in het knusse bed zou kruipen. Alles in het huis was doordrenkt van historie, je kon de zware lucht van het verleden in de gordijnen ruiken. Het Rubenshuis was de verpletterende verbeelding van de rijke Antwerpse traditie, de mythische zestiende-eeuwse metropool, die de stad als een loodzware last nog steeds met zich meetorst en die zich diep in het Antwerpse onderbewustzijn heeft genesteld. Het bed van Rubens stond voor de alompresentie van haar geschiedenis, voor het roemrijk verleden, kortom, voor Antwerpse behoudzucht.

Die twee beelden samen, zo realiseerde ik me deze week, vormen de perfecte metafoor voor die typische polariteit van het Antwerpse karakter. Aan de ene kant modern en voortvarend, met wereldhaven en autosnelwegen, aan de andere kant conservatief en behoudend, een stad die zich vastklampt aan haar voorbije glorie. Twee karaktereigenschappen die elkaar elke keer weer in de weg staan, en vaak een eerder negatieve energie opleveren, denk maar aan het gekrakeel over het nieuwe plein voor het Museum voor Schone Kunsten, of het conflict over Doel. Ik realiseerde me plots het enorme belang van het Museum Aan de Stroom. Dit project heeft de potentie het gespleten karakter van de stad te helen. Het project kan het scharnierpunt worden in de Antwerpse geschiedenis, waar heden, toekomst en verleden ineens weer probleemloos samenvallen. In het Museum Aan de Stroom zullen immers, voor het eerst in de geschiedenis van Antwerpen, alle fysieke artefacten bijeenkomen, die tientallen generaties Antwerpenaren ons hebben achtergelaten. Artefacten, die nu nog allerhande vochtige kelders, lekkende zolders en tochtige pakhuizen bevolken, zullen als boodschappers van het verleden samenkomen, op een voor iedereen herkenbare plaats in de stad. Ze zullen met elkaar in samenhang worden gebracht, waardoor het verhaal van de stad opnieuw kan worden begrepen. De dolende geest van de Antwerpse geschiedenis, die nog altijd de stad onveilig maakt, krijgt eindelijk een plaats om tot rust te komen.

Maar in die zelfde plaats huist tegelijk ook de geest van toekomst en vernieuwing. Niet zozeer doordat een nieuwe toren aan de Antwerpse skyline wordt toegevoegd, maar vooral door de complementaire, niet museale programma-onderdelen die door de Stad zijn voorzien. Het gebouw bevat ruimten voor congressen, voor feesten, voor documentatie en voor educatie. Kortom plaatsen voor ontmoeting, voor reflectie en voor het smeden van nieuwe plannen voor de stad. Op die manier zal het MAS geen dood museum worden, een opslagplaats van het verleden, maar veeleer een levend centrum, dat de vitaliteit van de hedendaagse stad een podium biedt. Het moet de foyer van de Stad worden, de ontmoetingsplaats voor de Antwerpenaar en zijn gasten, die in één beweging op het plein, op de spiraalroute naar boven en op het panoramadek samenkomen. Het moet een verlengstuk worden van de publieke Antwerpse ruimte, in letterlijke en figuurlijke zin. Een centrum voor de Antwerpenaar, naar buiten toe gericht op de levende stad naar binnen toe gericht op het stedelijk geheugen. Uit de combinatie van beiden kan de kracht geput worden voor de toekomst.

Ik hoop dat wij als architecten, samen met de mensen van de Stad en met àlle Antwerpenaars, deze ambitie waar kunnen maken. De versmelting van het Bed van Rubens met de Gloed van de Ring. De verzoening van het tweekoppig Antwerps karakter in één nieuw stedelijk project, dat de katalysator kan worden van een nieuw Antwerps elan. Misschien wordt dát het nieuwe Antwerps beeld voor de vijfjarigen van 2005, die vandaag geboren worden: een publieke toren van respectvol opgestapelde geschiedenis, van waarop een helikopter naar een ronkende toekomst opstijgt.

Willem Jan Neutelings